Levensschets

Aloïs De Loor en Kamilla Hutsebaut woonden in het landelijk gehucht Okkervoorde van de gemeente Vrasene, thans grondgebied van de gemeente Sint Gillis-Waas. Zij hadden er een bescheiden hoeve, op traditionele wijze uitgebaat met de hulp van een os. Op 18 april 1881 werd Isidoor De Loor in dit gezin geboren. Bij zijn geboorte moest zijn moeder drie dagen en drie nachten vechten voor haar eigen leven en dat van haar kind. De dokter zei dat Kamilla geen kinderen meer kon krijgen. Gelukkig kwam deze voorspelling niet uit en later werden nog twee kinderen geboren: Frans in 1887 en Stefanie in 1893.

Doorke, zo noemde men hem in het dorp, was een voorbeeld voor de andere kinderen, zowel in de kerk als op school. Na zijn twaalfde jaar begon voor Doorke de zware boerenarbeid. Hij was een van de eersten om zich te laten inschrijven voor de avondleergangen over land- en tuinbouw.
Ook de zondagen waren voor Isidoor erg gevuld: vroegmis en hoogmis, vespers en kruisweg stonden steeds op zijn programma. Daarbij gaf hij nog tweemaal catechismusonderricht in de 'zondagsschool': in Sint-Gillis-Waas en in Vrasene. Vaak ging hij ook op bedevaart naar O.-L.Vrouw van Gaverland.
Zijn keuze voor de passionisten was het gevolg van een advies hem door P. Broeckaert, redemptorist, gegeven bij gelegenheid van een volksmissie in Sint-Gillis-Waas.
Op 15 april 1907 vertrok Isidoor naar bet noviciaat van de passionisten, dat toen gevestigd was in Ere, bij Doornik. Op 13 september 1908 legde Isidoor zijn kloostergeloften af onder de naam broeder Isidoor van de heilige Jozef.
Hij zou nog twee jaar in Ere blijven. Naast allerlei huiselijke taken had hij vooral hoveniers- werk te verrichten. Begin december 1910 kreeg hij van de provinciale overste een brief waarin hem werd opgedragen zich reeds 's anderendaags naar het klooster van Wezembeek-Oppem te begeven, om daar in de keuken te werken.
In de vroege zomer van 1911 - hij was toen 30 jaar - moest hij een tijd zijn werkzaamheden onderbreken. Sedert een maand had hij stekende pijn in zijn ogen.
Bij een onderzoek oordeelde de arts dat het zieke oog moest verwijderd worden en vervangen door een kunstoog. De dokter had aan de overste meegedeeld dat broeder Isidoor aan kanker leed en dat hij waarschijnlijk nog slechts vijf of zes jaar zou te leven hebben. Dat ‘slechte nieuws’ werd door de overste aan Br. Isidoor meegeleeld. Daarover schreef broeder Isidoor echter niets aan zijn ouders.

In augustus 1912 werd broeder Isidoor overgeplaatst naar het klooster in Kortrijk, waar hij de laatste vier jaren van zijn leven zou doorbrengen. Hij wordt er weer aangesteld als kok, maar ditmaal voor klooster en school samen: dagelijks een honderd personen aan tafel. Hij doet zijn uiterste best om het iedereen zo goed mogelijk naar de zin te maken: 'Zoals het vroeger mijn leven was te ploegen en te spitten, zo vind ik nu mijn leven in te koken en te stoken en te braden dat het kraakt'.
Vanaf augustus 1913 werd hij aangesteld als portier, wat hem doet schrijven: 'Ik heb het hier nu veel schoner en moet bijna niet meer werken, maar de ganse dag lopen, want er komt veel volk'. Door zijn nieuwe taak kwam hij in contact met allerlei mensen, vooral ook met armen die aan de kloosterdeur kwamen aanbellen. Al spoedig werd hij door hen als 'Broeder Goed' getypeerd.
In de herfst van 1916 werd het duidelijk dat de medische prognose van vijf jaar geleden voor broeder Isidoor pijnlijke werkelijkheid werd: de dood kwam naderbij. Bij een geneeskundig onderzoek werd eerst pleuritis vastgesteld, en later ook kanker aan de ingewanden. Wegens de oorlogssituatie waren er maar weinig adequate geneesmiddelen beschikbaar. Verschillende keren dienden pijnlijke puncties te worden uitgevoerd. In de nacht van 5 op 6 oktober 1916 waren een viertal confraters in de sterfkamer aanwezig. Heel moeizaam kon broeder Isidoor nog enkele woorden spreken: een vraag om vergiffenis aan de medebroeders en een belofte om met hen vanuit de hemel verbonden te blijven. Omstreeks één uur stierf hij - haast zonder dat iemand het had bemerkt...

Kort na zijn dood begonnen mensen uit het Kortrijkse zijn graf te bezoeken op het stadskerkhof. Vooral na de Tweede Wereldoorlog zou de spontane volksverering uitbreiding nemen. Op 8 juni 1952 werd zijn stoffelijk overschot, onder massale belangstelling van duizenden mensen uit heel het Vlaamse land, van het stadskerkhof overgebracht naar de nieuw gebouwde grafkapel in de passionistenkerk te Kortrijk.
Het proces ter zaligverklaring werd ingeleid te Brugge op 16 oktober 1950. Het eerste onderzoek werd afgesloten op 11 maart 1951. Een tweede onderzoek vond plaats, eveneens in het bisdom Brugge, van 17 augustus 1961 tot 27 december 1963. Het zou dan nog meer dan 20 jaar duren vooraleer door Rome alle processtukken waren onderzocht en goedgekeurd. Op 12 januari 1984 werd uiteindelijk de geldigheid van het ingediende mirakel door de paus bekrachtigd en het decreet voor de zaligverklaring uitgevaardigd.
Op zondag 30 september 1984 werd Br. Isidoor door paus Johannes-Paulus II zaligverklaard op het Sint-Pietersplein te Rome in aanwezigheid van familieleden, van talrijke bedevaarders uit Vlaanderen en van confraters uit alle werelddelen.
Bezinning

GEBED
Goede God,
Gij komt ons tegemoet in het leven van mensen,
heel bijzonder in het leven van heiligen
die ons zijn voorgegaan op de weg naar U,
In de zalige Broeder Isidoor
hebt Gij ons een tochtgenoot gegeven,
die door zijn goedheid en dienstvaardigheid,
door het zoeken en volbrengen van uw wil,
de weg wijst naar U.
Op zijn voorspraak bidden wij U:
dat wij elkanders lasten leren dragen,
dat wij het kwade door het goede overwinnen,
dat wij op U blijven vertrouwen
door lijden en moeilijkheden heen,
dat wij hulp ervaren in onze tegenwoordige nood,
God van ons leven,
wil ons bemoedigen om tot het einde toe uw weg te gaan,
uw heil te zoeken,
uw naam te eren. AMEN.
Zalige Broeder Isidoor, bid voor ons!
Brieven van Broeder Isidoor
Vanaf april 1907 tot juni 1914 heeft Br. Isidoor vanuit het klooster een 35-tal brieven geschreven aan zijn familie. In de 35 brieven die hij vanuit het klooster naar huis schreef - en die door zijn moeder zorgvuldig werden bewaard - staan geen grote, theologische uitspraken of beschouwingen. Elk van die brieven bevat als het ware een dubbel luik: een luik met overdenkingen die samenhangen met een tijdsperiode van het kerkelijk jaar én een luik met beschrijving van voorvallen en gebeurtenissen die te maken hebben met zijn werksituatie als tuinier, als kok of portier.
Op deze plaats zullen die brieven achtereenvolgens ter lezing worden aangeboden. Begonnen wordt met de eerste brief die Br. Isidoor schreef op 21 april 1907, vanuit het klooster te Ere/Doornik waar hij enkele dagen eerder, op 15 april 1907, was binnengetreden.
Tweede brief. Isidoor is nu vijf weken in 't klooster. Isidoor schrijft dat zijn genegenheid voor zijn familie niet is verminderd, maar met de dag nog aangroeit. Hij herhaalt het nog eens dat de scheiding van zijn dierbaren nog al zwaar is gevallen, maar dat hij het te boven is gekomen door de genegenheid van al de kloosterlingen. Die onderlinge liefde, de gelijkheid van allen, van de overste tot de laagstgeplaatste, heeft hem bijzonder aan¬gesproken: allen samen aan een tafel, allemaal in een gebed, allemaal in ene rust, allemaal in een verzet, allen gelijk aan het werk. Allen samen in dienstvaardigheid in een gemeenschap van 30 kloosterlingen.
Hij heeft opgemerkt en vindt het spijtig dat er mensen in de streek op het land werken op zondagen.
De eerste brief, die hij van huis had ontvangen, had hem zeer gepakt. Hij schrijft het nu en ook dat de novincenmeester het had bemerkt en hem was komen troosten.
Aan Frans vraagt hij om wat nieuws over de boerderij en over de landbouwleergang. Gezonde belangstelling!
Hij is tevreden om het goed gedrag van Stephanie.
Ere, de 20 mei 1907.
Geloofd zij Jezus en Maria tot in der eeuwigheid.
Dierbare Ouders. Broeder en Zuster,
Met innige vreugde schrijf ik u wederom een brief. Want daar het nu reeds een maand is dat wij van elkander verwijderd zijn, moet ik u bekennen dat mijn genegenheid voor u niet vermindert, maar met de dag aangroeit, ja verdubbelt tegen dat ik tehuis was. Mij aan uw liefde, met elkaar te zijn en te leven onttrokken te zijn, viel mij in het eerste nog al zwaar, maar door de genegenheid van al de kloos¬terlingen, die men hier elkaar betuigt, is dat gans gedaan.
Hoe zou men zich hier niet gans gelukkig en tevreden gevoelen, als men zich daarvoor geschikt gevoelt en de gratie van Onze Lieve Heer daarvoor bekomt, en hier kan men God loven, aanbidden en danken bij dage en bij nachte hetgeen gij weet mijn wens te zijn.

En voor het dagelijks leven hier, wel om u hier een begrip van te geven : Gij leest soms in de gazet over de socialisten, hoe die zeggen : alleman gelijk, alle¬man even rijk. Ja maar zij werken allemaal voor de kas van een die alles binnenpalmt. Maar hier zijn wij allen gelijk van de overste tot de laagst ge¬plaatste : allen aan ene tafel. allemaal in een gebed, allemaal in ene rust, allen in een verzet, allen gelijk aan het werk : de enen met de geest, de anderen met het lichaam volgens ieders gesteldheid. Men bewijst hier elkaar dienst al waar men maar kan of hetgeen men zelf zou willen bewezen te worden, dus ware naastenliefde om God.
Het eten hier gaat mij zeer goed, het maar drie¬maal daags eten was ik van de eerste dag gewoon. Als men genoeg heeft en het eten voedzaam is, dan is dat zelfs gezond voor de maag, zij wordt niet over¬zet. Het werk dat ik hier te doen heb is niet zwaar :
werken in de hof en in de keuken en de dagen zijn maar kort, dus ge ziet het ik stel het hier zeer goed.
Wij zijn hier omtrent met 30 kloosterlingen, paters. studenten en broeders. Er worden nu 4 priesters gewijd. Wij zijn met 6 novicen, 4 studenten en 2 broeders. Daarbij zijn er nog 5 geprofeste broe¬ders. Een schrijnwerker. een kok. een onderkok. een die met een knecht de boerderij doet, een is portier, een hovenier en ik die zo wat overal moet helpen.
Om de tafel te dienen. te luiden enz. heeft ieder broeder zijn week. De zondag na de vespers gaan wij al te samen wandelen in de velden van de om¬trek. Het is hier bijzonder uitnemend goed land. Maar 't is spijtig om zien hoe de mensen hier werken de zondag. wij hebben er verschillende in 't vlas zien wieden en op Ons Heer Hemelvaart zagen wij een boer beten zaaien.
Maandag over drie weken hebben wij een kleine bedevaartplaats van O. L. Vrouw bezocht, in een grot benevens Doornik. Dan hebben wij ook de steengroeven en de kalkovens gezien. Wat wonder van arduin en kalksteen de grond hier bevat. Ver¬schrikkelijk diep : allemaal steen en arduin.
Gij hebt mij geschreven Lieve Ouders, dat gij al wat getroost waart met mijn eerste brief. ik denk dat gij het nu al geheel en gans zult gewoon zijn mij te missen.
Daar het ontvangen van uw brief, was ik zoals gij wel verstaat, wat aangedaan. De eerwaarde Pater Novicenmeester het wel bemerkende en de reden wetende waarom ik wat ontsteld was. kwam mij ver¬troosten en alles was gauw gedaan en vergeten.
Vader, dat ik voor u dagelijks bid daar moogt gij zeker van zijn. maar alhoewel gij nu minder tijd zult hebben. moogt ge daarom toch niet minder bidden. Het is waar men moet voorzien in zijn dagelijkse zaken. maar men moet toch ook voor de eeuwigheid zorgen. hier duurt het maar een tijd maar ginder is het voor de eeuwigheid.
Moeder. voor u bid ik ook alle dagen en ik ben er zeker van, als het u zalig is. zal God u de volle gezondheid schenken en u nog vele jaren bewaren voor ons aller liefde en om Stephanie tot een goede dochter op te voeden.
Die brief die gij mij geschreven hebt kwam waar¬lijk uit het hart en getuigt mij van uw grote liefde voor ons allen.
Frans. gij hebt het nu zeker niet gemakkelijk, maar alles geraakt toch gedaan. Ik bid voor u opdat God u beware voor onze Ouders en onze zuster. Maar jongen toch gij moogt geen wit papier op uw brief laten, gij ziet het, ik geef u het voorbeeld. Gij moet wat schrijven over de beesten en de vruchten. Gij denkt toch zeker niet dat die zaken al uit mijn hoofd zijn, dat zal nog al wat tijd vragen. Gij denkt ook dat ik mijn brief niet alleen geschreven heb. Gij zijt mis. hoor. gans alleen schrijf ik die hier op mijn kamer.
Stephanie. met waar genoegen heb ik gelezen dat gij zoveel verbeterd zijt. dat kon toch wel ook. Om mij te tonen dat gij heel braaf gaat worden vraag ik u mij binnen enige tijd. gans uit uw eigen gedacht mij een brief te schrijven. dat zal u goed doen.
Moeder. gij schrijft mij ook dat gij mij hoopt eens weer te zien. Zeker zullen wij nog dikwijls het geluk hebben met elkander te zijn en elkander te bezoeken. Ik verwacht wederom een brief van u Vader en Moeder.
Frans. schrijf mij eens of ik bij de prijzen ben van de landbouwleergang, als gij het al weet.
Bij gebrek aan plaats zet ik hier van achter : laat ons voor elkaar bidden voor ons welzijn en zaligheid.
Uit gans er harte gegroet.
Uw zoon en broeder.
Isidoor.
Hierbij zend ik u vanwege pater Meester nog drie prentjes. dan moet gij er niet voor kaarten. zegt hij.
naar boven
|